« Deense koning droeg de jodenster

Leidse studenten strooiden hete munten voor het volk

Om het Leidse plebs te treiteren, strooiden corpsstudenten vanaf het balkon van sociëteit Minerva met muntjes. Wie ze van straat raapte, brandde zijn vingers, want de studenten hadden ze eerst gloeiend heet gemaakt in een koekenpan. Zo waren de verhoudingen tussen studenten en stadsbevolking vroeger, hoorde ik toen ik zelf – nu bijna veertig jaar geleden – in Leiden ging studeren. Deden studenten dat echt of is het een Leids broodje aap? Samen met de Leidse historicus Bart van der Steen zocht ik in twee eeuwen gedigitaliseerde kranten naar verhalen over gloeiende centen.

Wij hoorden het verhaal over de hete muntjes in het eerste jaar van onze studie (Peter in 1979, Bart in 2001). Het is nog steeds bekend, ook buiten Leiden, maar voor een verhaal dat als ‘typisch Leids’ geldt, is het opvallend afwezig in de officiële geschiedschrijving van de stad. Het staat niet in gezaghebbende boeken over Leidse historie. De vele geschiedenissen van het Leidse studentencorps zwijgen erover. Het is een onofficieel verhaal: folklore. Is het daarmee ook een broodje aap, niets meer dan een sterk verhaal? De meeste versies plaatsen deze foute grap in een vaag verleden. Als het echt gebeurd is, wanneer dan? 

Het geheugen van de stad

Collectieve herinneringen zoals die aan de hete muntjes zijn niet per se betrouwbaar als feitenverslag. Indonesiers en Indo’s herinneren zich bijvoorbeeld dat er tijdens de koloniale periode bij openbare zwembaden borden stonden met de tekst ‘verboden voor honden en inlanders’. Historici hebben daar geen bewijs voor kunnen vinden. Ook bij overlevenden van de Watersnoodramp kunnen persoonlijke belevenissen, ervaringen van anderen, gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog en andere verhalen door elkaar lopen.

Wel zijn zulke verhalen ook voor historici waardevolle weerslagen van gedeelde gevoelens. Het verhaal over de verbodsborden drukt de achterstelling in de koloniale tijd uit, de vertekende verhalen over de Watersnood scheppen orde en geven zin aan een ontwrichtende ervaring.

En de Leidse verhalen over studenten die met gloeiende centen strooiden?

Het is echt gebeurd. Voor het laatst in 1961. Toen gooide een Leidse medicijnenstudent uit het raam van zijn studentenkamer verhitte stuivers naar kinderen op straat, die er hun vingers aan brandden. De student kwam voor de rechter en kreeg een boete van dertig gulden. Maar deze foute studentengrap was toen al een uitzondering. Op dat moment, in 1961, strooiden studenten al tientallen jaren niet meer met gloeiende munten. Toch werd het verhaal erover steeds populairder. En het wordt nog steeds verteld. Dat roept een nieuwe vraag op: waarom is dit zo’n taai verhaal? 

Daarvoor moeten we weten hoe oud het is, door wie het werd verteld en waarom. Die vragen kunnen we pas sinds kort beantwoorden, nu alle Leidse kranten van de afgelopen eeuwen en nog een massa andere historische bronnen waar het in voorkomt zijn gedigitaliseerd. In die hooiberg van krantenartikelen, studentenalmanakken en boeken kunnen we nu pas de spelden vinden. We verzamelden zo 162 teksten over strooien met muntjes, de oudste uit 1841, de jongste uit 2016. 

Wat meteen duidelijk werd: niet alleen Leidse studenten strooiden met gloeiende munten.

Te grabbel gooien

Strooien met hete munten was deel van een oudere en veel bredere traditie. Bij bruiloften, meifeesten en vorstelijke intochten werden tot aan het einde van de negentiende eeuw regelmatig hete munten gestrooid. Dat was een variatie op het ‘te grabbel’ gooien van gewoon, onverhit muntgeld voor kinderen, armen en onderdanen. Vorsten lieten ter gelegenheid van hun inhuldiging speciale ‘strooipenningen’ slaan, een gebruik dat in Nederland standhield tot het einde van de negentiende eeuw. Maar ook buiten deze hoogtijdagen om lieten welgestelden kinderen of armen delen in hun rijkdom door hen een handvol munten toe te werpen. Het was dus een uitdrukking en een bevestiging van de maatschappelijke hiërarchie.

Zowel bij feestelijkheden als bij het ‘alledaagse’ munten strooien kwam het voor dat de strooiers de munten hadden verhit. Soms als een pijnlijke practical joke, maar vaker als deel van het ritueel: de grabbelaars waren niet verrast. Ook in Leiden. Daar werd van oudsher op jaarlijkse vieringen zoals het lentefeest en Leidens Ontzet (drie oktober) met munten gestrooid. In de negentiende eeuw werd elk jaar op 30 april de fontein op de Vismarkt opnieuw in gebruik genomen met een ritueel waarbij bewoners van de huizen rondom gloeiende centen uit het raam gooien voor wat een bericht uit 1884 noemt de ‘lieve jeugd’ bestaande uit ‘straatjongens en fabriekers’. Anders dan in het verhaal over sadistische corpsballen wist de lieve jeugd wat ze kon verwachten.

Vernederend

Leidse studenten die hete munten strooien komen we voor het eerst tegen in de satirische Studentenschetsen (1841) van de student-auteur Klikspaan, een alias van Johannes Kneppelhout. In dit boek komt de student Flanor voor, de gulle, brutale gangmaker – voor Klikspaan is hij de ideale student. En die ideale student gooit met hete munten:

‘Flanor was het die op den derden October de meeste en heetste centen uit het raam gooide op de deftige Leidsche wandelaars, die dan door gretige kleine straatjongens bestormd en omvergehaald werden en, Gullivers in handen van Lilliputters, dachten om te komen onder de worsteling welke om, over en op hen geleverd werd, terwijl de onvermoeibare Studiosus, bijgestaan door onvermoeibare vrienden, steeds meer gloeijende centen naar beneden liet regenen, hetgeen steeds meer gehuil, gevecht, getrap, gekrab en bloedneuzen onder de lieve Leidsche jeugd te weeg bragt.’

De Leidse Breestraat ter hoogte van Minerva (links vooraan), midden negentiende eeuw

Dat Flanor de straatjongens laat vechten om zijn hete centen en zo de ‘deftige Leidsche wandelaars’ te grazen neemt, is voor de schrijver niets anders dan een voorbeeld van studentikoze levenskunst. Maar in dezelfde jaren klinkt ook al afkeuring, niet alleen van de practical joke met hete centen, ook van munten strooien in het algemeen. In een kinderboek dat een paar jaar na de Studentenschetsen verscheen, Willem Essensteyn (1845), geeft een vader zijn drie kinderen elk vijf gulden. Een van de drie, Jan, wisselt de guldens om in kleine munten, die hij op straat gooit om te zien hoe arme kinderen erom vechten. De vechtpartijen geven Jan veel plezier, maar zijn vader keurt Jans gedrag streng af.

In de tweede helft van de negentiende eeuw nam de kritiek toe. Muntjes strooien voor de minder bedeelden benadrukte niet alleen op een vernederende manier het standsverschil, het kon ook tot ongelukken leiden. Bij de inhuldiging van Willem III in Amsterdam in 1849 was er op straat zo bloedig gevochten om de strooipenningen, dat zijn opvolgster koningin Wilhelmina haar inhuldigingsmunten in 1898 liet uitdelen op scholen. En in Leiden gebeurde in 1896 een verschrikkelijk ongeluk: toen de bestuurder van een bierwagen de Koornbeursbrug wilde afrijden naar de Vismarkt, stuitte hij daar onverwacht op een stilstaand rijtuig met studenten, omgeven door naar centen grabbelende kinderen. Ondanks zijn geschreeuw bleven de studenten staan, de vrachtrijder verloor de macht over zijn voertuig en reed een jongetje van zeven dood. 

Toen was de pret er wel vanaf. In 1880 hadden Minervastudenten tijdens de Diesviering hun gloeiende munten al vervangen door sinaasappelen. Rond 1900 was het vrijwel gedaan met de studentenfolklore van de hete muntjes. Als praktijk dan – het verhaal erover werd alleen maar populairder. En Leidser – zowel in de ogen van Leienaren als die van buitenstaanders. Die ontwikkeling ging gelijk op met veranderingen in de Leidse samenleving. Vooral toen die het heftigst waren, in de jaren zestig, zeventig en tachtig, grepen Leidenaars het muntjesverhaal aan om te praten over de veranderingen in hun stad.

Studentenrevolte en stadsvernieuwing

In de jaren zestig werden de sociale verhoudingen in Leiden flink opgeschud. Leiden was van oudsher een arme industriestad, met een scherpe tweedeling tussen de arbeidersbevolking en de ‘universitaire elite’ van studenten en professoren.

In de jaren zestig raakte Leiden in een crisis. De oude industrie verdween, de werkloosheid steeg. De stedelijke financiën kwamen in zwaar weer en de stad werd onder curatele gesteld. De stadsvernieuwing verliep moeizaam. Een onderzoeker in 1976: ‘Alle gemeenten hebben problemen, maar Leiden heeft ze allemaal.’ Pas in de jaren negentig werd Leiden weer een welvarende stad, vooral door de opkomst van de biofarmaceutische industrie. Krotten hadden plaatsgemaakt voor nieuwbouwwoningen. De universiteit werd steeds belangrijker als werkgever en pijler van de stedelijke economie. 

Tuinbonen doppen voor de conservenindustrie. Leids gezin in de Mirakelsteeg, 1957 (Foto Herman Kleibrink, uitsnede; Erfgoed Leiden en Omstreken, CC0)

Terwijl de stad ingrijpend transformeerde, veranderde ook de rol van de universiteit en de student in de stad. Maar waren die studenten wel echt veranderd? 

Volgens veel Leienaren wel. Zo zei een oudere bewoner van Leiden Noord in 1981 nadat hij over de ‘lamstralen’ had verteld die gloeiende munten uit hun koetsjes hadden gegooid: ‘Zulke studenten heb je gelukkig niet meer. De studenten die we nu zien in de wijk zijn aardige jonge mensen. Ze helpen volwassenen met de huiswerkcursus.’ 

Ook corpsstudenten zelf droegen dit nieuwe, sociale imago uit. In 1989 gaven twee bestuursleden van Minerva in het Leidsch Dagblad ‘volmondig’ toe dat hun voorgangers gloeiendhete centen van het balkon van de sociëteit hadden gegooid. Maar, stelden ze: ‘Nu is het anders, de studenten moeten wel degelijk om zich heen kijken en zich aanpassen.’ 

Daar was niet iedereen het mee eens. In 1991 was de positie van de student in de stad zelfs thema van een debatavond in jongerencentrum LVC. Daar ging een man uit het publiek tegen de Minervanen tekeer: ‘Bah, jullie zitten op een ivoren toren en werpen centen naar het volk. Maar we leven in een verzorgingsstaat en er is dus niemand afhankelijk van liefdadigheid.’

De discussie in het LVC ging niet over de vraag of studenten wel of niet met gloeiende munten hadden gestrooid. Het ging om de exemplarische waarde van de anekdote: had de corpsstudent zich inmiddels ontwikkeld tot een maatschappelijk bewuste burger of niet? Had de Leidse burgerbevolking zich ontworsteld aan onmondigheid en armoede of niet? Deze twee vragen stonden telkens weer ter discussie wanneer het verhaal over de gloeiende munten werd aangehaald. Discussies over de Leidse student raakten zo onlosmakelijk verbonden met discussies over de staat van de stad. Daarbij gebruikte de ene groep het voorbeeld van munten strooien om te laten zien dat de situatie sindsdien sterk verbeterd was, terwijl de andere groep juist benadrukte dat armoede nog altijd een groot probleem was in de stad.

PSV-supporters

De jaren zeventig en tachtig waren een ‘donkere periode in de sociale geschiedenis van Leiden’, aldus stadshistoricus Cor Smit. Juist in deze tijd werd het verhaal over de hete munten inzet van discussies over de vraag of Leiden zijn achtergestelde positie aan het overwinnen was of niet. Ons onderzoek zien hoe collectief geheugen en stedelijke identiteit met elkaar verknoopt zijn. Naarmate de stad verandert, veranderen ook de verhalen over en de herinneringen aan de stad.

Toen halverwege de jaren negentig de krotten waren weggesaneerd en de City Marketing de stad ging aanprijzen als ‘Kennisstad’, verloor het muntenverhaal in Leiden aan zeggingskracht. Maar verdwenen is het zeker niet. En ook buiten Leiden is het nog niet vergeten. Toen PSV-supporters in 2016 een schandaal veroorzaakten door in Madrid bedelende Roma-vrouwen te laten grabbelen naar geld, greep een columnist in Trouw weer terug naar het muntjesverhaal:

Beter zouden we kunnen terugdenken aan het gedrag van Leidse studenten die zich tot in diezelfde jaren vijftig krek eender gedroegen aan de PSV-aanhang op Plaza Mayor nu. Alleen waren er toen nog geen terrassen, trokken ze ervoor niet naar Madrid en waren het geen vreemdelingen of ‘andere rassen’ die er het slachtoffer van werden. Muntjes wierpen ze, na een avondje boemelen, uit de ramen van hun huurkoetsjes of van het balkon van de sociëteit – naar het proletariaat dat er net zo gretig achteraan sprong als in Madrid gebeurde.

Met racisme had dat niets te maken. Wel met verachting voor wie niet tot ‘ons’ behoort maar daar ontegensprekelijk ver onder staat. Die periode ligt, ook voor Nederlanders onderling, nog niet zo ver achter ons. Ik denk dat ze pas in de veelgesmade jaren zeventig ten einde kwam. Of beter gezegd: dat de vanzelfsprekende acceptatie ervan toen pas ophield. Een ál te opzichtige sociale arrogantie kon je je vanaf dat moment niet meer permitteren.

Inmiddels kunnen we dat preciseren: het beschavingsoffensief zette veel eerder in. Gooien met muntjes, heet of niet, leidde al in de negentiende eeuw tot wenkbrauwfronsen en raakte rond 1900 in onbruik. Maar de verhalen erover leven voort.

Voor het uitgebreide verslag van ons onderzoek, zie:
Peter Burger en Bart van der Steen: Studenten strooien hete centen voor het volk. Stedelijke identiteit en de geschiedenis van een omstreden herinnering in Leiden (1841-2016). Tijdschrift voor Sociaal-Economische Geschiedenis 2018(2), 66-88.

Foto vallende munten: Grahamvphoto (Flickr, CC BY-NC-ND 2.0).

2 thoughts on “Leidse studenten strooiden hete munten voor het volk

  1. Ook in het boek: De barre winter van negentig van Herman de Man komt er een verhaal van rijke herenboeren voor die verwarmde munten strooien maar dan op het ijs van de dan dichtgevroren rivier de Lek.

    • Ja, die kwamen we tegen bij ons onderzoek. ‘Ook daar was het feest op het ijs en daar heeft een zeepzieder guldens laten warm maken in een wafelijzer en ze toen gestrooid onder het kleine volk. Dat geld dreef diep het ijs in aleer het afkoelde en de keinders hebben hun vingers tot bloedens geklauwd, om de munten eruit te bekomen. Dat was pas een stuk!’

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *