« Trojka hier, trojka daar: sterke verhalen over wolvengevaar
De edele wraak van een bespotte jood »

De verkeerd bezorgde brief

De vrouw van een arme joodse koopman schrijft een wanhoopsbrief aan haar echtgenoot, die voor zaken van huis is. De brief wordt verkeerd bezorgd – of eigenlijk heel goed. Een verhaal uit de duizend-en-een-nacht van de negentiende-eeuwse kranten. Gastbijdrage van Ewoud Sanders.

 

 

 

Op 16 april 1839 las Everhardus Molema in de Groninger Courant een bericht dat begon met de zin: ‘Te Presburg leeft een arme koopman, Josef Rothschild genoemd.’ Molema was hoofdonderwijzer op een school in het Groningse dorp Finsterwolde. Samen met een andere hoofdonderwijzer gaf hij een tijdschrift uit getiteld Letteroefeningen voor de jeugd, voornamelijk ten dienste van gevorderde leerlingen der lagere scholen en van hen, die de lagere scholen reeds verlaten hebben.

Doel van dit tijdschrift was om jonge kinderen de mogelijkheid te bieden ‘om uwe kennis verder uit te breiden en uwe harten voor het ontvangen van zedelijke indrukken te openen’, aldus het voorwoord. Het motto, afgedrukt op de titelpagina, luidde: ‘Stilstand is achteruitgang’.

Molema schreef ook gedichten voor kinderen. Naar aanleiding van het bericht in de Groninger Courant maakte hij voor zijn tijdschrift een gedicht onder de titel ‘Jozef Rotschild’. Het bestaat uit twintig coupletten van vijf regels. Het gaat over een ‘arme jood’ die in Presburg woont. Dat is de historische naam van Bratislava, de hoofdstad van Slowakije.

Door pech in de handel raakt Jozef ‘zijn krediet en nering’ kwijt. Dit komt slecht uit, want zijn vrouw is hoogzwanger. Daarom besluit Jozef naar het nabijgelegen Wenen te gaan, om bij andere joden hulp te vragen.

Drie dagen nadat hij is vertrokken, bevalt zijn vrouw van een zoon. Zij en haar kind hebben ‘gebrek aan alles’. In de dichtregels van Molema:

Maar moederliefde houdt toch stand;
Maar moederzorg weet raad:
Zij grijpt terstond, met zwakke hand,
De pen, en schrijft, in korten trant,
Haar Jozef, hoe ’t hun gaat.

’t Adres meldt Jozefs naam alleen
Te Weenen, zonder meer.
En waar doolt nu de tijding heên?
O wonder toeval! neen, o neen,
Zoo wil het God de Heer.

De brief wordt bezorgd bij de Weense bankier en filantroop (Salomon Mayer) Von Rothschild.

Het treurig nieuws komt regt van pas;
Von Rotschild krijgt den brief.
En schoon dit bij vergissing was,
’t Blijkt, dat hij d’ inhoud gaarne las;
Want weldoen was hem lief.

De ‘menschenvriend’ Von Rothschild stuurt meteen honderd gulden naar Jozefs vrouw. Hij laat Jozef opsporen in Wenen en bij zich brengen. Tegen de verbijsterde Jozef zegt hij ‘op gullen toon’:

‘Hoor, vriend!’, zegt lagchend de ed’le man,
‘Uw zoon behoeft een’ peet.
Hier staat hij, die u helpen kan.
Noem voortaan zijn’ vader dan;
God wil ’t! ik ben gereed.’

Samen met de brief geeft de bankier Jozef ‘een geschenk’.

‘Dat gaat toch boven mijn verstand!’
Roept Jozef, kust zijns redders hand,
En dankt hem duizend keer.

Molema besloot zijn gedicht met de moraal:

Welaan, in nood op God vertrouwd,
Die deugd met vlijt verbindt!

Sage

Molema baseerde zijn gedicht op een sage die vanaf 1839 in heel Europa de ronde deed. Deze sage is te vinden in Franse, Engelse, Duitse en zelfs in Russische bronnen.

In Nederland stond het verhaal tussen 14 en 19 april 1839 in minstens zeven Nederlandse kranten: de Arnhemsche Courant, de Groninger Courant, de Middelburgsche Courant, de Overijsselsche Courant, de Utrechtsche Courant, de Vlissingsche Courant en de Zierikzeesche Courant.

Het krantenbericht, dat in 1839 in alle Nederlandse kranten gelijk was, eindigt als volgt: ‘De arme koopman schrikte niet weinig, toen men hem naar zijnen naamgenoot bragt. De bankier ont­ving hem met edele vrolijkheid en wenschte hem geluk met de geboorte van zijnen zoon. Natuurlijk geraakte de arme man nog meer in verlegenheid. “Daar gij nu toch eenen peet behoeft, zoo neem mij daarvoor; de zorg voor de toekomst des kleinen wereldburgers zij mij overgelaten”, sprak lagchend de edele menschenvriend, terwijl hij den verrasten gelukkige den brief zijner vrouw benevens een aanzienlijk geschenk overhandigde.’

Varianten

In een Franse en Duitse krant komt de arme koopman Jozef niet uit Presburg in Slowakije, maar uit Pest (een deel van de hoofdstad Boedapest) in Hongarije. In een Russische krant uit 1839 wordt Jozef bij herhaling ‘een arme Jid’ genoemd. Aan het eind krijgt hij niet alleen de brief van zijn vrouw overhandigd, maar ook ‘duizend florijnen’.

Dat afscheidsgeschenk is 35 jaar later, in het Weekblad van Haarlemmermeer van 1874, gestegen tot vijfduizend gulden. In plaats van de Weense bankier Salomon Mayer Rothschild (1774-1855), is de weldoener in het verhaal nu diens zoon Anselm Salomon von Rothschild (1803-1874). De arme joodse koopman is veranderd in ‘een zeer brave, maar arme kleermaker’. We krijgen nu ook de hele brief van zijn wanhopige vrouw te lezen, die kortweg is geadresseerd ‘Aan den heer A. Rothschild te Weenen’.

De brief luidt: ‘Kom in Gods naam naar huis, de tijd mijner bevalling nadert en de kinderen zijn allen ziek: moeten wij van gebrek omkomen, laten wij dan zamen sterven, en wil God ons helpen, dan zal hij dat hier zoo wel doen zoo elders. Gij ziet het, uwe pogingen in den vreemde willen ook niet gelukken. Gij zijt al 5 maanden op reis en wij zijn nog armer dan vroeger, kom, kom spoedig. Vrouw Rothschild.’

Ewoud Sanders is taalhistoricus en journalist. In 2017 promoveerde hij op Levi’s eerste kerstfeest. Jeugdverhalen over jodenbekering. Dit artikel over de arme en de rijke Rothschild maakt deel uit van een serie over joodse personages in jeugdverhalen

Illustratie: postbode in Wenen, omstreeks 1820 (Wikimedia Commons)

Bronnen
  • Minstens zeven Nederlandse kranten publiceerden het verhaal in 1839: Arnhemsche Courant, 14-4-1839; Groninger Courant, 16-4-1839; Middelburgsche Courant, 16-4-1839; Overijsselsche Courant, 19-4-1839; Utrechtsche Courant, 17-4-1839; Vlissingsche Courant, 16-4-1839; Zierikzeesche Courant, 16-4-1839. Voor een iets andere versie, zie: ‘De twee Rothschilden’, in: Iris: bloemlezing uit buitenlandsche tijdschriften, jrg. 11, nr. 1 (1840) pp. 169-170. ‘Joseph’ wordt hier ‘een arme joodsche schagcheraar’ genoemd.
  • Voor een Franse versie, zie Journal de tous les ménages (Paris, 1842), p. 124.
  • De Russische versie komt uit: Mikhail Weisskopf (vertaald door Lydia Wechsler): The Veil of Moses. Jewish Themes in Russian Literature of the Romantic Era (Leiden / Boston 2012), pp. 29-30.
  • De variant uit 1874, met de brief van de echtgenote: Weekblad van Haarlemmermeer, 21-8-1874.
  • sluiten

    Leave a Reply

    Your email address will not be published. Required fields are marked *